20 november 2006, BN De Stem, Ad Pertijs

 

Vloeken in het Wielercafé

 

Vloeken in de kerk hoort niet. Vloeken in het wielercafé moet. Dat bleek vrijdagavond in Zundert, waar Cees Haast het stralende middelpunt was van het eerste Brabantse Wielercafé in West-Brabant.

 

Presentator Michel de Koning wilde voorafgaand aan het gesprek met Cees Haast maar één ding afspreken: „We gaon Braobants praoten. Da's ut gemakkelukst."

 

Zo is het maar net, als het Cultureel Centrum Van Gogh afgelopen vol zit met wielermensen, die ook in de donkere dagen voor Sinterklaas en Kerstmis hunkeren naar alles wat de sport zo mooi maakt. Vrijdagavond waren dat de verhalen. De een nog mooier en sterker dan de andere. Met Cees Haast als stralend middelpunt. De Koning hoefde weinig te zeggen. 'Kiske' was in vorm.

 

Wie is en was Cees Haast? In de zomer van 1965 wist heel Nederland dat. Cees Haast was de kleine klimmer uit Rijsbergen, die naarmate de Tour zijn einde naderde heel Nederland aan de radio gekluisterd hield. Omdat Haast op weg leek naar het podium. Maar ook omdat Haast zo'n coureur was van wie je wel moest houden. Een ongecompliceerde aanvaller pur sang. Een boertje uit Brabant. Een tikkeltje naïef in zijn manier van koersen, maar omdat de passie er aan alle kanten van af spatte, sloot Nederland hem in het hart. In de etappe op weg naar Aix-les-Bains sprong Haast mee met de Spaanse klimgeit Jimenez. Uiteraard. Haast groeide en groeide in die dagen naar grote hoogten. Op de Col de Lautaret kwam in het wiel van Jimenez plots een einde aan de droom van Haast en zijn vele supporters. De ketting sloeg over, hij vloog over de kop en hevig bloedend en huilend bleef Haast ter plekke.

 

De schok van dat moment zit kennelijk nog altijd diep in de harten van de oudere wielerfans. Ze hadden Haasts opmars gevolgd op hun werk, in de huiskamer, in het café of op het veld, waar de aardbeien geplukt moesten worden. De handel in transistorradio's nam grote vormen aan in de omgeving van Breda. Zoals velen nog weten waar ze waren toen president Kennedy werd vermoord. Zoals velen nog de beelden kennen van een wanhopig om een andere fiets roepende Hennie Kuiper in Parijs-Roubaix, zo weten veel wielerfanaten nog precies wat ze voelden op het moment dat Cees Haast daar op de Col de Lautaret huilend op het asfalt lag.

 

Neem Jos de Louw, een leraar uit Oost-Brabant. Samen met zijn collega Peet Kappen wilde hij de mooie wielerverhalen een plek geven. Het werd een wielercafé. In Oss, met veel local hero's en een gigantische belangstelling.

 

Vrijdag presenteerde De Louw zijn wielercafé in Zundert. Dat Cees Haast er de eerste hoofdgast was, blijkt geen toeval. Als Haast er voor de pauze zijn eerste verhalen op heeft zitten, neemt De Louw het woord. „Cees, toen jij daar op de grond lag, zat er in Oss een menneke van tien met kippenvel en tranen in zijn ogen. Op dat moment is voor mij de passie voor de wielersport begonnen."

 

Haast genoot van alle aandacht. Hij is niet lang prof geweest. Het grote geld lag niet op hem te wachten. Zijn roem leeft voort in de verhalen. Prachtig verteld. Haast praat hoe hij ooit koerste. Vanuit het hart. Onnavolgbaar kan hij vertellen over zijn eerste grote zege in de Omloop van de Baronie. Naarmate de spanning stijgt, neemt het gevloek toe. „Bij Lepelstraat zat er nog eentje in mijn wiel. Die moest eraf. We kwamen bij een slecht stuk weg en ik zei tegen mezelf: godverdomme, hier de gas erop. En hij ging eraf."

 

Finishplaats Breda was echter nog ver weg. Haast vertelt en zit weer in koers. Hij zet keer op keer aan met pretoogjes, een verbeten trek om de mond en veel gevloek. „Na Rijsbergen kwam Breda in zicht, werden we goddomme eerst nog langs Galder gestuurd."

 

Een coureur die compleet stuk naar de finish verlangt, zit niet lachend op zijn fiets. Nee, die vloekt en tiert. „Ik reed daar moederziel alleen godverdomme. De koeien of de vrouwen langs de kant zag ik niet meer staan, maar ik won goddomme wel."

 

Geen wonder dat Haast al snel een supportersclub van jewelste had. „Zeg nou eerlijk: iemand die van wielrennen houdt, houdt ook van uitgaan." Wie Haast volgde naar de koers in Limburg kwam er volgens de renner snel achter dat het bier daar geen drie kwartjes kostte, net als in Rijsbergen, maar slechts twee. „Gingen er de volgende keer weer meer mee."

 

Het gehoor in Zundert ging plat voor de kleine Rijsbergenaar. 'Het gas erop' moet hij gedacht hebben. „Jan Janssen was een beetje link. Het is niet om te stoefen, maar wat hij kon, kon ik ook. Ik heb daarom nog altijd een beetje spijt dat ik de Tour van 1968 niet gereden heb." De Tour die Janssen won en waarvoor Haast bedankte.

 

Na de pauze was het de beurt aan de voormalige baas van Haast, oftewel Kees Pellenaars. De Pel leeft niet meer en misschien daarom wel duiken de laatste jaren vooral verhalen op over 's mans vermeende graaicultuur. Het lijkt wel of iedere renner nog geld tegoed heeft van de sluwe vos uit het Liesbos. „Brommen op de Pel", noemen zijn beide zoons Pierre en Cees junior dat. Een op de televisie uitgezonden documentaire rond de beide oudjes Henk Faanhof en Gerrit Voorting spande volgens de twee helemaal de kroon. „Ons vader was geen gemakkelijke mens, maar dit heeft hij niet verdiend", aldus Pierre. De beide zoons grepen in Zundert dan ook de gelegenheid aan om het beeld dat ontstaan is over de Pel enigszins te nuanceren. „Neem dat verhaal dat mijn vader journalisten mee uit eten nam en dat betaalde uit de premiepot van de renners. Onzin. Hij was de eerste die inzag hoe je met veel media-aandacht sponsors aan je kon binden. Hij vond sponsors voor de ploeg. Voor het geheel dus. Vanuit die pot betaalde hij alles. Ook zichzelf en hij zorgde er ook voor dat de ploeg in de media kwam. De renners zagen het kennelijk anders toen. Maar wat De Pel toen deed, was niet meer of minder zoals een ploeg nu wordt gefinancierd. Hij was zijn tijd dus vooruit."

 

Vrijdagavond in Zundert bleek maar weer eens hoeveel nog nooit vertelde verhalen de moeite waard zijn verteld te worden. Pierre Pellenaars had er nog eentje. „Veel dames in Breda zullen zich nog altijd afvragen wie toch die mooie Fransman was die in september 1954 op het terras zat van het Wapen van Breda. Dat was Louison Bobet. Hij kwam met De Pel alvast de Tour van 1955 doornemen. Ook dat was mijn vader. Toen al was hij bezig om met de Fransen een coalitie te smeden voor het jaar erop. Om succes te garanderen."

 

En zo rolden de verhalen en de gedichten (van Jace van der Ven) uur na uur de zaal in. Michel de Koning nodigde de aanwezigen alvast uit voor de volgende bijeenkomst op zaterdag 28 april. Henk Theuns had hij toen al bedankt. De (Zundertse) wielerfotograaf bezit een collectie van liefst 1700 wielershirts. Hoeveel er dat zijn werd vrijdagavond duidelijk. Theuns had vanaf zeven uur 's ochtend zeshonderd tricots opgehangen in de zaal.

 

Eenderde dus slechts en toch was het een aantal dat iedereen deed duizelen. Overal waar je keek hingen de shirts. „Van ieder shirt kent Henk het verhaal", weet De Koning.

 

Dat komt mooi uit. De kleuren van al die naast elkaar hangende tricots vloekten in ieder geval al aardig. Voor in het wielercafé.

Website statistieken